1. De wonderlijke lotgevallen | Floran Janssen – Held van Helmond

1. De wonderlijke lotgevallen | Floran Janssen – Held van Helmond

In den tijd, toen Hertog Jan over Vlaanderen en Brabant regeerde, woonde er in het Ameidesingel (bestaat niet meer, nu heet het Noord- en Zuid-Koninginnewal) te Helmond eene oude vrouw, Moeder Martinus genaamd, met heuren kleinzoon Floran In welk nummer het juist was, kan ik echter niet zeggen, omdat het huisje misschien al sedert drie honderd jaar afgebroken is, en ook omdat men destijds geene nummers op de huizen schilderde.

Floran was een kerel van ruim achttien jaar en stond bekend als de geduchtste straatkapoen, die er onder de zon liep. Daar in dien tijd alleen de geestelijken, de edelen en de rijke poorters konden lezen en schrijven, was Floran even ongeletterd als de andere kinderen der werkende klas. ’t Kon hem echter bitter weinig schelen, daar hij er volstrekt geene behoefte aan had. Dat wil nochtans niet zeggen dat hij een domoor was; integendeel, hij bezat een helder hoofd en was in alles uiterst bij der hand. Levenslustiger knaap was er binnen de muren van Helmond niet te vinden. Verder was hij kop en hals langer dan de grootste zijner kameraden, sterker dan een os en daarbij een vechtersbaas, die voor niets terugdeinsde. De buren heetten hem ‘Floran Onversaagd’ of ‘Sterke Floran’; zijne makkers echter, die rechts en links al een en ander hadden gehoord van de geweldige daden van den Brabantsche hertog, die later heel de Zuiderlijke Nederlanden in vuur en vlam zou zetten, zijne makkers, zeg ik, noemden hem nooit anders dan Floran Janssen. Dien naam droeg onze held met evenveel recht als een zoon van den Hertog, want hij vreesde mensch noch dier, hel noch duivel!

Zijne grootmoeder, een fiksch oudje, hield er een kleinen vischwinkel op na, waar als uithangbord, heel het jaar door, eene schol boven de deur hing, zoodanig uitgedroogd, dat nat noch droogte, warmte noch koude er geen vat meer op hadden.

Moeder Martinus had de klandisie van heel de buurt en won alzoo de noodige oordjes om de huur van hun klein huisje te kunnen betalen en nog genoeg over te houden om in hun beider geringe behoeften te voorzien.

Floran hield veel van zijn Grootje; ook was zij de eenige persoon, die den wilden knaap eenigszins in bedwang kon houden. Wanneer het gebeurde, en zeldzaam was het niet, dat hij en zijne makkers door hunne brutale guitenstreken heel de buurt in rep en roer hadden gezet, dan kwam Moeder Martinus hijgend en kijvend aangetrippeld, en recht op den deugniet af. Deze, zonder zich tegen de bestraffing te verzetten of de plaat te poetsen, liet zich gedwee bij het oor grijpen en bukte zich dan zelfs, opdat de oude vrouw den arm niet te hoog zou moeten rekken. Zoo keerden zij naar huis, en meer dan eens was het al gebeurd dat Floran, zijn Grootje buiten adem ziende, haar doodeenvoudig met zijne sterke armen optilde en licht als een pluimpje voortdroeg, zonder dat zij daarbij zijn oor losliet of ophield hem te bekijven. Wee echter degenen, die op zijn doortocht het waagden te lachen of met hen te spotten! Ze konden er stellig op rekenen ’s anderdaags met zijn duchtige knuisten in aanraking te komen.

Was Floran een wildzang van de ergste soort, toch had hij hoedanigheden, die veel goed maakten: hij had een onoverwinnelijken afkeer van veinzerij en logentaal en kon geen onrecht zien plegen. In dit laatste geval trad hij aanstonds als kampioen van den verongelijkte op, zonder allerminst rekenschap te houden van den stand of het aantal der tegenstrevers, en won steeds zijne zaak, dank zij de verbazende spierkracht, waarmede hij bedeeld was.

SOO © 2022 Florentius Martinus Alphonsius Lucien