2. De kleinzoon van Moeder Martinus | Floran Janssen – Held van Helmond

2. De kleinzoon van Moeder Martinus | Floran Janssen – Held van Helmond

Zoo was Floran Janssen, de kleinzoon van Moeder Martinus uit het Ameidesingel, wiens wonderbare lotgevallen wij gaan verhalen.

Reeds dikwijls had Moeder Martinus heuren kleinzoon gepraamd om eenen stiel te leeren… Meester Asselberg, de beenhouwer uit de Veestraat en Piet de Laet, de bakker uit de Steenweg, hadden heel gaarne den forschen knaap in hunnen dienst genomen, maar van geregeld werken en vooral van onder andermans bevelen te staan, daarvan wou Floran niet weten.

– Neen, Grootjelief, zei hij telkens, blijf met meester Asselberg en meester de Laet uit mijn vaarwater! Knecht spelen kan ik niet! Ik ben altijd vrij geweest en wil vrij blijven! Zoo jaren lang, van den morgen tot den avond als een litanie te moeten hooren: ‘Floran, doe dit! Floran, doe dat!’ Neen, hoor, ik bedank voor de eer! En dan, Grootje, ge kunt toch immers geen leergeld betalen?

– Maar, Floran, dat hoeft niet! Ze hebben mij allebei aangeboden u voor niet te nemen!Ge zoudt door hen kosteloos gekleed en gevoed worden! Dat wil toch ook wat zeggen! 

Grootje, houdt gij van mij?

O ja, kind, als van het licht mijner oogen, dat weet ge wel!

Dus zoudt ge mij niet gaarne ziek zien?

O neen!

Welnu, Grootjelief, spreek me dan nooit meer van leerjongen te worden, want anders word ik vast ziek!

Moeder Martinus had aldra ingezien, dat Floran op dit punt nooit zou toegeven en liet hem dan ook maar met rust. Beste lezer, het leerjongen- of leerknechtschap was toenmaals in ’t geheel niet wat het nu is. Ik neem daarom de gelegenheid te baat om te beproeven u er een duidelijk denkbeeld van te geven.

Er waren in den tijd der gilden twee soorten van leerknapen, de zoons van meesters en de vreemden. Het verschil tusschen beiden bestond hierin, dat het aantal der eersten natuurlijk onbeperkt en dat der tweeden heel beperkt was. Dit verschil bewijst wonderwel den invloed van het princiep van familie en erfrecht, die beide in het leenroerig tijdvak uitermate ontwikkeld waren. Door alzoo de kinderen der meesters te bevoordeeligen had de wet vooral voor doel de nijverheid in dezelfde handen te houden.

De beperking van het aantal vreemde leerknapen was in overeenkomst met den aard van de bedrijven; zoo waren er, waarvan het aantal leerknapen onbeperkt was: de goud- en zilverdraadslagers, de bladtinpletters, de pantsersmeden. De bedrijven, die slechts een zeer beperkt aantal leerjongens duldden, waren die van lakenwever, zijden franjenmaker, bladgoud- en bladzilverslager, paternostermaker in amber of koraal. In al die bedrijven mochten de meesters hoogstens drie leerjongens nemen. De goudsmeden mochten er slechts eenen hebben, de messenmakers twee en de spinners van zijde, bij middel van groote klossen, drij.

Hij, die als leerknaap aangenomen werd, had twee groote verplichtingen: den meester gedurende eenen bepaalden tijd dienen en hem eene zekere som als leergeld betalen. De duur van den leertijd verschilde volgens de stielen. Zoo moest de leerling bij den goudsmid tien jaar, bij den zeeldraaier vier, bij den messenmaker zes, bij den schrijn- of kastjesmaker zeven, bij den beenhouwer acht, bij den weegschaalmaker zes en bij den bakker vijf jaar blijven.

Om u nog beter te doen inzien hoe willekeurig de diensttijd der leerjongens toen vastgesteld was, zal ik u nog een ander voorbeeld aanhalen.

Floran Janssen | Held van Helmond

Iedereen weet, dat de kunst van ruikers te maken bestaat in het samenbinden van bloemen, die men volgens de kleuren schikt en bij middel van een eindje koord of iets dergelijks samenbindt. Iedereen weet ook, dat men dit gemakkelijk op een uur kan leeren! Welnu, om die kunst toenmaals te mogen uitoefenen moest men eerst een leertijd van vier jaar achter den rug hebben.

Het leergeld, aan den meester te betalen, was in evenredigheid met den leertijd en den aard van den stiel. Zoo moest, bijvoorbeeld, de leerling schrijnmaker 20 Parijsche stuivers betalen, de leerling-paternostermaker 30, de leerling-zijdestofwever zes Parijsche ponden, enz..

Zeggen, welke de waarde dier munten zou zijn in vergelijking met de huidige munt, kan met geene zekerheid gedaan worden, en dat spijt mij zeer. De reden is dat gedurende heel het leenroerig tijdvak de koningen en de groote leenheeren om ter meest de munten vervalschten, zoodat destijds het volk zelf er niet meer aan uit kon; daarbij komt nog dat er toenmaals minder geld was dan nu, en het dus toch meer waarde had dan het nu zou hebben.

Als we echter, om toch eene zeer vage berekening te maken, aannemen dat een zilveren stuiver tijdens de Brabantsche hertogen overeenkomt met ongeveer 2,40 fr. en een Parijsch pond met 48 fr. onzer munt, dan kunnen wij ons al een denkbeeld vormen van het bedrag van het leergeld.

Zoo ik er nu nog bijvoeg dat de leerknaap het recht niet had vrijwillig zijnen meester te verlaten, maar dat deze laatste wel het recht had zijnen leerknaap aan eenen anderen meester te verkoopen voor het aantal jaren, hetwelk de leerknaap nog te dienen had alvorens gezel te kunnen worden, dan denk ik reeds genoeg gezegd te hebben om u te doen inzien, dat het toenmaals geen kleinigheid was leerjongen te worden bij dezen of genen meester.

Keeren wij, na deze kleine uitweiding, tot onzen held terug. Floran wou dus geen leerknaap worden, omdat hij te veel aan de lieve vrijheid hield.

Maar er was nog eene andere reden, die hij voorzichtigheidshalve niet opgaf, omdat hij wist dat ze in geenen deele kon bijdragen om zijn Grootje te overtuigen!Floran voerde het bevel over een twintigtal ‘reuffels’ van zijne soort, en wat zouden die wel niet van hem gedacht hebben?

Dat wil nu echter niet zeggen, beste lezer, dat Floran al zijne dagen in ledigheid sleet. Meer dan eens gebeurde het, wanneer zijne grootmoeder kloeg over eene al te karige ontvangst, dat hij naar de werf of eene der vlieten ging en er dezen of genen schipper aanbood een handje te helpen bij het lossen der boot. Stemde de schipper toe en was het loon bedongen, dan stroopte Floran zijne mouwen op en toog zingend aan den arbeid. En dan stonden de toeschouwers verbaasd over het gemak, waarmede hij vrachten optilde en wegdroeg, waarvoor twee kloeke werklieden de grootste krachts-inspanning van noode hadden. 

SOO © 2022 Florentius Martinus Alphonsius Lucien