3. Floran Janssen ontmoet de Zeeuwse Schipper | Floran Janssen – Held van Helmond

3. Floran Janssen ontmoet de Zeeuwse Schipper | Floran Janssen – Held van Helmond

Zoodra de taak gedaan was stroopte Floran zijne mouwen weer af en stakde hand uit om zijn loon te ontvangen. Hij hield er aan dadelijk betaald te worden en dit werd doorgaans gereedelijk gedaan.

Zekeren dag nochtans liep dit zoo gemakkelijk niet van stapel. Een Zeeuwsch schipper, een kerel lijk een boom, wou hem afschepen met de helft van het besproken loon, onder voorwendsel dat Floran geen volwassen man was.

Deze keek den schipper vlak in de oogen en sprak:

– Patroon, heb ik, ja of neen, goed gewerkt?

– Jawel, mijn jongen, ge hebt uw best gedaan!

– Is het afgesproken loon er aan verdiend?

– Zoo gij een man waart, ja!

– En gij weigert he mij te betalen?

– Ik wil u de helft geven, knaap. De helft is genoeg voor u!

– Is dat uw laatste woord?

– Mijn allerlaatste, spotte de schipper. Zoo het u niet aanstaat krijgt ge geen roode

duit en smijt ik u op den koop toe over boord!

Bij het hooren dier beleedigende woorden flikkerden Floran’s oogen onder de gefronste wenkbrauwen. Die uitdrukking van toorn verzwond echter zeer snel om plaats te maken voor eenen spottenden glimlach. Hij deed een stap achteruit, keek zijn tegenstander vlak in ’t gelaat en stroopte zijne mouwen weder op.

– Welnu, snaak, waarom staat ge mij nog aan te kijken? Hebt ge niet gehoord wat ik u gezegd heb? riep de schipper toornig.

– Patroon, zei Floran kalm, ge hebt ongelijk u zoo op te winden. Ik vind u nu nog tienmaal leelijker dan daar straks!

– Donder en weerlicht! raasde de schipper.

– Patroon, ge wordt nog leelijker!

– Die knaap is niet bang, mompelde een der matrozen verbaasd.

Floran had die woorden gehoord en riep lachend:

– Bang? Ik vrees niets en niemand en alleminst dien grooten, groven en leelijken bullebak.oolang hij was, op het dek neerbonsde. Vervolgens greep Floran em in den nek, tilde hem in de hoogte, trad alzoo naar de verschansing en hield zijn tegenstander met gestrekten arm boven het water.

Sprakeloos van verbazing zagen de matrozen het aan, en, hoe de schipper ook spartelde en riep, geen enkele van het scheepsvolk durfde het wagen een stap te naderen om hem te helpen.

– Welnu, schipper, zei Floran doodbedaard, zijt ge van zin eerlijk te worden en mij te betalen, ja of neen? Zoo ik geen antwoord krijg vóór ik tot tien geteld heb, laat ik u Een, twee, drie………

– Laat mij niet los! Ik kan niet zwemmen! huilde de man. Vier, vijf, zes, zeven, acht…….. – Ik betaal!

Floran Janssen | Held van Helmond

– Dat is ook het verstandigste, wat ge doen kunt, antwoordde Floran, terwijl hij den man terug binnen de verschansing tilde en op het dek zette.

Bleek van woede en schrik opende de patroon zijne tesch en betaalde. Floran stak het geld in zijnen zak, groette lachend, sprong op de loopplank en verwijderde zich fluitend, juist alsof er niets gebeurd ware.

In de middeleeuwen hadden de steden een gansch ander uitzicht dan nu. De straten, vooral in de volkswijken, waren smal en kronkelend, voor het grootste gedeelte zonder straatsteenen, zoodat de minste tocht er des zomers stofwolken deed opstijgen; in het natte jaargetijde daarentegen waren het echte modderpoelen. De huizen der rijken waren van steen opgebouwd, die der armen van steen en hout en vele zelfs geheel van hout. Riolen bestonden er niet, en het vuil en de afval werden eenvoudig op de straat gesmeten. Geen wonder dus dat de openbare gezondheid veel te wenschen liet en dat ziekten als cholera, typhus, melaatschheid of leproosheid en pest alsdan zoovele slachtoffers maakten.

Daar de meeste huizen van hout opgebouwd waren, zooals ik reeds gezegd heb, spreekt het van zelf, dat er toenmaals veel meer brandgevaar was dan nu, te meer omdat men geene kachels kende en er in elk huis slechts gestookt werd in een open haard, zooals men er op den buiten nu nog aantreft.

Des avonds, op een bepaald uur, weerklonk over de stad het gelui van de torenklokken, als waarschuwing voor de poorters dat zij hunne vuren moesten dooven en dat het licht moest uitgedaan worden; alsdan werden de stadspoorten gesloten en mochten de poorters niet meer uitgaan zonder lichtende lantaarn. Dan trok de nachtwacht door de straten om te zien of eenieder zich volgens de voorschriften gedroeg. Dit noemde men de ‘Taptoe’,.

Het zal u wel zonderling voorkomen, beste lezer, dat de poorters na de taptoe niet meer mochten op de straat komen dan met brandende lantaarns.

Dat was denkelijk opdat de wachtpost goed het onderscheid zou kunnen maken tusschen de eerzame poorters en de nachtridders, dat is de dieven en moordenaars, welke bij nacht de straten onveilig maakten. Wanneer een ingezetene zich des avonds op de straat waagde had hij niet enkel zijn lantaarn bij zich; hij was ook gewapend van kop tot teen en deed zich gewoonlijk door gewapende dienaars vergezellen, om zich tegen de aanvallen van beurzensnijders, manteltrekkers en sluipmoordenaars te kunnen verdedigen in de donkere straten der stad. Zoo ging het er in den goeden ouden tijd.

De kleinzoon van Moeder Martinus had echter nooit een lantaarn bezeten en kon hem goed missen.

Op zekeren dag, toen hij bij valavond huiswaarts keerde en de stuivers, welke hij aan de kade gewonnen had, lustig in zijn zak deed rinkelen, gebeurde het, dat hij in de Reepstraat door eenen kreupelen bedelaar om een aalmoes gevraagd werd. Floran, die van inborst goedhartig was, haalde een geldstuk te voorschijn en wilde het den man in de hand stoppen. Deze, in plaats van het stuk aan te nemen, greep Floran bij den ar men gromde:

– Een is niet genoeg! Ik heb er meer hooren klinken! Keer aanstonds uwe tesch om of ik breek u armen en beenen!

– Wie al te gulzig is, krijgt niets! zei Floran en liet den stuiver terug in zijn zak glijden. Daarna stiet hij den bedelaar van zich af en zette zijnen weg voort; de man, die een gauwdief en in ’t geheel niet kreupel was, had hem aldra ingehaald.

– Uw geld of uw leven! riep hij met schorre stem en zwaaide daarbij dreigend met zijne kruk, terwijl hij met de andere hand Floran bij den schouder wou pakken. De kleinzoon van Moeder Martinus was echter op zijne hoede, greep de hand van den bedelaar en neep die zoo geweldig dat de man, gillend van pijp, op de knieën stortte.

– Waarom huilt ge zoo? vroeg Floran met gemaakte deelneming. Men zou waarlijk zeggen, dat ge niet eens verdragen kunt, dat men u de hand drukt!

– Laat los, in ’s hemelsnaam, laat los! Gij plettert mijne hand!

– Och, was het leuke antwoord, is het zoo erg? Ja, dat zijn van die onaangename

dingen, welke een kreupelen bedelaar kunnen overkomen, wanneer hij ’s avonds op zulke brutale manier eene aalmoes weigert en dan nog de menschen naloopt en met zijne kruk dreigt!

– Laat mij los! Oô! Oôô!

– Ik wist niet dat kreupele menschen zoo hard zonder krukken konden loopen, ging Floran voort. Ge zult nu stellig wel heel vermoeid zijn, en daarom ga ik u een plaatsje bezorgen, waar ge op uw gemak kunt uitrusten.

Hierop greep hij den gewaanden bedelaar bij zijn buis, tilde hem op, juist zooals men dit doet met een hond, dien men bestraffen wil, en liep met hem naar den hoek der straat, waar onder de nis van een Mariabeeld een lantaarn haar weifelend licht verspreidde. Daar gekomen stak hij den bandiet in de hoogte en haakte hem met zijnen gordel vast aan den ijzeren bout, waaraan de koord van de lantaarn bevestigd was.

– Zie zoo, lachte Floran, daar hangt hij hoog en droog, gelijk de schol vóór het winkeltje van mijn Grootje. Ge kunt er op uw gemak nadenken over eene der zeven hoofdzonden, die men gulzigheid heet, en daarna nog eenige schietgebedekens richten tot de Heilige Maagd daar boven u, opdat zij gauw iemand zende om u uit uwen toestand te verlossen. Zoo het de nachtwacht is, die u komt loshaken, moogt gij hen vertellen, dat het Floran Janssen is, die u dit gelapt heeft. En nu, veel plezier, hoor, baas Lucien!

Na die afscheidsrede wou Floran zich verwijderen, maar plotseling zag hij zich omringd door een zestal rabauten met onheilspellende tronies.

– Die kerels komen op het licht af lijk de muggen, dacht Floran en bleef staan.

De bedelaar had hen insgelijks bemerkt en riep luidkeels:

– Makkers, laat hem niet gaan! Hij heeft mij aan dezen haak gehangen!

– Kerel, hebt gij dat gedaan? vroeg een der schelmen met ruwe, dreigende stem.

– Ik geloof het en gij moogt het ook gelooven, vermits hij het zelf zegt, antwoordde Floran bedaard. 

– Wat? zoo’n knaap! Waar zijn uwe handlangers?

– Hier zijn ze, was Floran’s antwoord, terwijl hij hun zijne vuisten toonde Lieg niet of, bij Antigoon, ik………

 Zoo gij er aan twijfelt, heerschap, zal ik hem er even afhaken en u in de plaats hangen!

– Alle duivels! Ik geloof dat gij den draak met ons steekt!

– Ik geloof het ook, heerschap.

– Mannen, de messen klaar!

– Hij heeft geld op zak! schreeuwde op dit oogenblik de man aan den haak.

– Inderdaad, zei Floran, twintig stuivers en twaalf penningen.

– Geef af of we snijden!

– Gaat uw gang, lachte Floran, maar past op voor mijne twee handlangers!

De bandieten stormden met gevelde messen op hem in. Zij hadden echter zonder 

den waard gerekend, want op het oogenblik dat zij den gewapenden arm reeds uitstrekten om hem neer te stooten, deed Floran eenen geweldigen luchtsprong en viel buiten den kring der aanvallers op zijne voeten neer. Eer de schelmen van hunne verbazing bekomen waren, had Floran er al twee in den nek gegrepen, beukte ze met de hoofden tegen elkaar en slingerde ze daarna met vreeselijke kracht op de overigen, zoodat heel de hoop schreeuwend en huilend over den grond rolde. Een tweetal, die weder rechtkropen, werden opnieuw vastgegrepen en op de anderen neergesmakt.

SOO © 2022 Florentius Martinus Alphonsius Lucien