9. Floran Janssen en de waterduivel

9. Floran Janssen en de waterduivel

– Daar herinner ik mij weer, sprak hij, dat gij daar straks gezegd hebt, dat gij iets

weet om mij te doen schrikken. Ik moet u zeggen…

– Denk er niet meer aan, jongeling.

– Integendeel! Ik verzoek, ik eisch zelfs, dat gij het mij zegt! Indien de zaak zoo

vreeselijk is, dat zij mij kan doen schrikken, welnu dan stem ik er aanstonds in toe

uw schoonzoon te worden. Zeg het mij dus, ik bid er u om!

– Indien ik het doe, zend ik u den dood te gemoet!

– O, iemand zóó op heete kolen zetten! Bij de muts van mijn Grootje, ik verga van

ongeduld!

– Welnu, luister dan! Ik heb reeds verscheidene malen hooren vertellen, dat er in

het land van Deurne aan de boorden van de Ade een waterduivel huist, Kludde

genaamd.

– Wel, wel, is ’t anders niet? Te Helmond hebben wij er ook eenen, maar die heet

Lange Wapper! Ik heb ’s avonds laat dikwijls langs de vesten en de ruien gekuierd

om hem te ontmoeten, maar steeds te vergeefs! – Zoo dus, in ’t land van Deurne

heeft hij een neefje?

– Spot er niet mede, knaap, want Kludde is zeer boosaardig. Hij plaagt en kwelt

de dorpelingen zoodanig, dat men ’s avonds de plaats schuwt, waar hij zich bij

voorkeur ophoudt.

– Ga voort!

– Hij kan van gedaante veranderen……

– Precies lijk onze Lange Wapper!

– Hij vindt er plezier in den eenzamen voorbijganger op den rug te springen onder

de gedaante van een hond, eene kat of een ander dier, en wordt dan zoo zwaar, dat

zijn slachtoffer er onder dood valt. Soms ook lokt hij de menschen van den weg af,

en dan vindt men ze later versmoord in het moeras. De buitenlieden herkennen hem

van verre aan twee blauwe vlammetjes, die dansend en huppelend hen naderen,

zonder nochtans merkelijk van de rechte lijn af te wijken. Het eenige middel om hem te ontkomen is

al vluchtend nu rechts, dan links te slingeren; dat maakt hem het spoor bijster en doet

hem weldra de vervolging opgeven.

– Nu weet ik genoeg, juichte Floran Die Kludde vindt in mij zijn man! Welken kant

moet ik uit om hem te ontmoeten?

– Ge zult wel een halven dag noodig hebben om er te komen!

– Meester, ik weet den weg, zei Alphonsius.

– Zie, dat is waar, riep de vrijboer. Alphonsius is van die streek. Nu vijf jaar geleden

kwam hij met zijne moeder hier aan. Zij waren de bezittingen van den Heer van

Baesrode ontvlucht. Ik heb hen als lijfeigenen opgenomen, na hunnen vroegeren

meester twee werkpaarden in ruil gegeven te hebben.

– Boer Stansen, sprak Floran, laat ons een goed akkoord sluiten. Geef mij dien jongen

als leidsman mede. Zoo Kludde er in gelukt mij te doen schrikken, kom ik met Alphonsius

terug en trouw met uwe dochter. Zoo hij er niet in gelukt, houd ik hem als schildknaap

en keer hier later, als ik rijk ben, terug om hem van u vrij te koopen. Ik zweer u op

het hoofd van mijn Grootje, dat ik mijn woord eerlijk zal gestand blijven!

– Aangenomen!

– Wat denkt gij er van, Alphonsius? vroeg Floran

– Met u durf ik overal gaan, was het antwoord.

Floran bracht den nacht door op de hofstede. ’s Anderdaags was hij reeds te been toen

de hoevenaar verscheen.

– Floran, zei deze, vóór gij vertrekt, heb ik u een verzoek te doen.

– Spreek op!

– Ik heb bemerkt dat uwe kleederen niet nieuw meer zijn. Ge zoudt mij plezier

doen, zoo gij er van mij andere wildet aannemen, die in beteren toestand zijn.

– Hebt gij daarop gelet? lachte Floran

– Welzeker! ik heb hier nog een stel kleeren van mijn zoon, die verleden zomer

door een dollen stier gedood werd. Hij was ongeveer van uwe gestalte; ik wed dat

zij u zullen passen alsof ze voor u gemaakt waren!

Onder het uiten dier woorden had hij eene groote kast geopend en haalde er een buis en hozen van bruin laken, eene kaproen en een paar stevige

schoenen uit, alsmede een lederen gordel, waaraan in een scheede van dezelfde stof,

een stevig kruismes hing.

– Een deugdelijk wapen, meende boer Stansen.

– ’t Kan zijn, antwoordde Floran, doch voor mij is het te kort ofwel te lang. Nu, het

zal mij een deftiger uitzicht geven, en daarom neem ik het met de kleederen in dank

aan.

Een uur nadien verlieten Floran en Alphonsius de hofstede.

Onderweg zei Floran lachend tot zijn gezel:

– Alphonsius, jongen, ik benoem u tot mijn schildknaap. Gij zult mijn helm en mijn

degen dragen, zoodra ik die heb. Voor het oogenblik hebt ge nog niets anders te doen

dan te zorgen dat ge dit pak niet verliest, want er steekt een brood en een stuk ham

in, en dat zijn dingen, die ons onderweg te pas zullen komen. Nog vóór den middag bereikten onze twee reisgenooten, Veghel, een dorp, zoo

dicht bij Deurne gelegen, dat men vandaar heel wel de torens dier stad kon

bemerken.

Beide knapen hadden geweldigen dorst, want zij hadden flink doorgestapt en het

weder was zeer warm. Zij traden er de herberg ‘De bonte Os’ binnen. In de ruime

gelagkamer zaten er verscheidene klanten, allen in druk gesprek, en voortdurend

kwamen er nog meerdere bezoekers.

Floran en Alphonsius namen plaats in eenen hoek en bestelden drank. De waard, door de

andere gasten meester Johan Bylants geheeten, zette hun elk een pot schuimend bier

voor. ’t Was een groot en dik man met overvloedig kroezelhaar, bolle, blozende

wangen, vroolijken oogopslag, en daarbij praatziek, zooals de meeste waards. Na de

knapen onderzoekend aangekeken te hebben, vroeg hij:

– Zijt gij van deze streek, jongens?

– Neen, hospes!

– Vanwaar zijt gij?

– Ik ben van Helmond, zei Floran, en mijn vriend is niet van Helmond. Waarom

vraagt gij dat?

– Och, indien ik het u niet vroeg zou mijn vrouw het doen, want die is heel

nieuwsgierig, ziet ge! Grooter vraagal bestaat er niet!

– En is uwe nieuwsgierige vrouw nu voldaan?

– Zeker, zeker, lachte meester Bylants. Alleenlijk zou zij u nog vragen wat gij hier

komt doen?

– Uwe vrouw is veel te nieuwsgierig, antwoordde Floran, die vermaak in het gesnap van den waard vond, en om haar daarvoor te straffen zal ik het stillekens

in uw oor zeggen! Kom!

Dit zeggende greep hij den man bij den arm, trok hem halverlijve over de tafel en

fluisterde hem geheimzinnig toe:

– Ik weet het niet!

De waard spartelde terug af de tafel, keek Floran eenige oogenblikken verbaasd aan,

en bromde:

– Dat zijn geen handen! Dat zijn echte nijptangen!

– Heb ik u bezeerd, hospes?

– Zoo’n beetje! Morgen is ’t een blauwe plek!

– ’t Spijt me zeer! Het was geenszins mijn inzicht!

– Ge zegt dus dat ge het niet weet, jongeling! Dan kan het ook niet voor het

gerechtelijk tweegevecht zijn, hetwelk straks hier zal plaats hebben?

– Een gerechtelijk tweegevecht? Ik heb daarover al wel hooren vertellen, doch heb

er nooit een bijgewoond.

– ’t Is eene zeer treurige historie, zuchtte de waard.

– Treurig! Hoedat?

– Welzeker! Verbeeld u dat Raffel, de kleinzoon van vrouw Vanhulst, moet vechten

tegen Balt Korte-nek……

– Wie is dat?

– Een ruiter van den baron.

– En waarom moeten die twee vechten?

– Dat ga ik u zeggen. Verleden week kwamen Raffel en zijne zuster Lena ’s avonds

van Deurne. Onderweg werden zij door dronken wapenknechten aangerand

en deerlijk mishandeld. Lena ligt te bed en valt van de eene koorts in de andere.

Raffel is zich bij den baron gaan beklagen en heeft stellig verklaard, dat Balt de

voornaamste aanrander was. De baron, die op dat punt geen gekscheren verstaat,

deed aanstonds Balt ontbieden. Deze loochende natuurlijk het feit en vroeg het

gerechtelijk tweegevecht.

– Dus gaan ze er eens voor vechten!

– Ja! Maar Balt is een groote, sterke kerel, en Raffel een tengere, zwakke jongen.

Raffel wordt stellig en vast doodgeslagen!

– Dat is geen prettig vooruitzicht voor hem!

– Natuurlijk! Maar ’t kan ook niet anders. Balt mag vechten, geheel geharnast en gewapend met zwaard en bijl, zijn tegenstander mag enkel een stok

hebben, daar hij een eenvoudig laat is!

– En zijt gij zeker dat Raffel gelijk heeft?

– Onder ons gezegd en gezwegen, fluisterde de waard, ja! Raffel is een brave

jongen! Niemand mag zeggen hem ooit op eene leugen betrapt te hebben! ’t Is treurig,

treurig! Sterft hij, dan zullen zijne arme zuster en zijne oude grootmoeder ook niet

lang meer leven!

– Heeft hij eene grootmoeder? riep Floran Eene grootmoeder,… een Grootje!……

– Ja!

– Wel hospes, indien de zaken staan, lijk gij zegt, dan is dat gerechtelijk

tweegevecht een afschuwelijk, dom ding, daar het slechts bewijst wie de sterkste is

van beiden, in plaats van de schuld of de onschuld van den aangeklaagde te doen

uitschijnen! En met de vuist op de tafel slaande ging hij met luider stem voort: Gij

zegt dus dat Raffel een zwakke jongen is en Balt daarentegen een groote sterke kerel;

dat de eerste met een stok moet vechten en de andere, door zijn helm en zijn harnas

beschut, het zwaard en de strijdbijl mag gebruiken……

– Om Gods wille, spreekt stiller, knaap, want ginder zitten twee vrienden van Balt

te luisteren!

Deze aanmaning had geenszins het uitwerksel dat de hospes er van verwachtte,

want Floran rees op, sloeg andermaal met de vuist op de tafel en riep:

– Ik zeg dat dit gerechtelijk tweegevecht tusschen Raffel en Balt eene deugnieterij

is, even hatelijk als wraakroepend!

– Die knaap is gek, morde meester Bylants verbleekend. Hadde ik het op voorhand

geweten, ik zou hem niet aangesproken hebben!

Dit zeggend ging hij zich terug achter de toonbank plaatsen om iedereen goed te

doen zien, dat hij met Floran’s drieste woorden niet instemde. Deze deed alsof hij dit

niet bemerkte en ging voort, nog luider sprekend:

– Ik zou in Raffels’ plaats willen zijn!

De twee vrienden van Balt hadden hunne plaats verlaten en naderden den hoek

waar Floran en Alphonsius zich bevonden.

– Knaap, sprak de eene spottend, zijt gij in het hoofd geraakt?

– Neen, man, en gij?

– Ik ook niet, maar ik zeg dat men stapelgek moet zijn om zulke onvoorzichtige

dingen uit te kramen!

– Ben ik onvoorzichtig geweest?

– Ja. En daarom gebied ik u dadelijk uwe beleedigende woorden te herroepen en

vervolgens uwe biezen te pakken of……

– Of?

– Voor den duivel! Zoo gij niet oogenblikkelijk gehoorzaamt, grijp ik u bij de

ooren, draag u buiten en ransel u daar met het plat van mijn degen……

– Doe het, jongeling! riepen verscheidene der aanwezige boeren door medelijden

gedreven. Herroep uwe woorden!

– Menschen, ik heet Floran en ben de kleinzoon van Moeder Martinus uit het

Ameidesingel te Helmond! Ik groet u allen zeer en houd er aan u te verzekeren,

dat ik nooit gek geweest ben, dat ik altijd heel wel weet wat ik doe of zeg! Gehoor

gevende aan de bedreiging van dezen dapperen krijgsman en aan uwen goedhartigen

raad, verklaar ik dus dat ik met het grootste plezier, in de plaats van Raffel Vanhulst,

wiens zaak ik als rechtvaardig aanzie, in het strijdperk wil treden en met den stok

kampen tegen den genaamden Balt, soldenier in dienst van den Heer van Veghel!

Is dit duidelijk genoeg, of moet ik er nog bijvoegen, dat ik Balt voor een laffen rekel

houd, zoo hij niet aanneemt?

De aanwezige boeren staarden den koenen spreker vol ontzetting aan. De twee

soldeniers sloegen de hand aan het zwaard om hem te lijve te gaan, toen zij eensklaps

ter zijde gedrongen werden door een reusachtigen kerel, die zich vóór Floran kwam

plaatsen.

SOO © 2022 Florentius Martinus Alphonsius Lucien