10. Floran Janssen droogt de bruut af.

10. Floran Janssen droogt de bruut af.

– Ja, knaap, het is duidelijk genoeg, riep hij met grove stem, en ik, Balt, neem den

kamp met u aan. Ge ziet er een beetje sterker uit dan die lummel van een Raffel, die

zich als een lam zou laten kelen! Ik zal u eerst met het plat van mijn degen op de

billen geven, alvorens u van het scherp te laten proeven!

Floran borst in eene luiden lach los.

– Hebt gij het gehoord, Alphonsius? riep hij. Die kerels kunnen allen bluffen, bluffen!

Dat is nu al de tweede, die mij eene dracht slagen op de billen belooft! Welnu, heeren,

ik zal dat goed onthouden!

En de soldeniers ditmaal met vlammenden blik in de oogen kijkend, herhaalde,

hij met nadruk:

– Ik zal het goed onthouden!

Hij ging terug op de bank zitten, nam een flinke teug, plaatste zijn beide ellebogen

op de tafel, leunde met de kin op de handen en bleef Balt en zijne makkers spottend

aankijken. Na eene poos hernam hij:

– Zoodus, ik vecht met u in de plaats van Raffel?

– Ja!

– Zijne zaak wordt dus als rechtvaardig beschouwd als ik u doodsla?

– Ja! Als gij mij… Hahaha!

– En is het dan de gewoonte niet dat de overwonnene aan den scherprechter

overgeleverd wordt?

– Ja zeker! en de overwinnaar wordt zijn erfgenaam… Hahaha!

– Dan is de zaak volkomen in orde, heerschap.

– Een wapenadvokaat zonder baard! ’t Is om zich kreupel te lachen, spotte Balt.

– Een melkmuil, een platbeurs, een landlooper, niet goed genoeg om stalveger te

spelen…Godesbloed! Wat zullen wij straks pret hebben! riep een der soldeniers.

– Dat meen ik ook, zei Floran droogjes.

– Ik zal op het lemmer van mijn zwaard een kruis krassen, grijnsde Balt, om aan te

toonen tot waar het door uwe ribbenkast zal gaan!

– Zoudt ge het niet liever op uwe tong krassen, want ik geloof, dat ge die beter

weet te gebruiken dan uw zwaard……

– Vervloekte melkmuil, ik weet niet wat me weerhoudt……

– Ik weet het ook niet, Balt de snoever!

Deze woorden, doodbedaard uitgesproken, deden de woede van den soldaat ten

top stijgen. Hij deed een stap vooruit en rukte zijne dagge uit de scheede. Nu kwamen

echter eenige boeren tusschenbeide en riepen:

– Peis, Balt, peis! Gij hebt het recht niet dien jongeling te lijve te gaan, daar gij

hem als wapenadvokaat van Raffel erkend hebt!

– Gij hebt gelijk, bromde de soldenier en stiet wrevelig zijn wapen terug in de

scheede. Een blik vol haat op zijn tegenstander werpende, siste hij:

– Tot straks, melkmuil!

– Tot straks, snoever!

Toen Balt en zijne makkers de herberg verlaten hadden, verdrongen de aanwezigen

zich om Floran Op aller gelaat stond bewondering en medelijden te lezen.

– Nog zóó jong en reeds levensmoede, mompelde er een.

Floran had die woorden gehoord en begon te lachen.

– Jong ben ik, beste man, dat kan ik niet loochenen; maar levensmoede, neen, hoor!

Bij de muts van mijn Grootje, ik hoop nog lang te leven!

– Daar legt gij het niet op aan, zei de boer. Balt is een woeste kerel, door iedereen

om zijne kracht gevreesd! Geen enkel der krijgslieden van den baron hanteert de

wapens zooals hij! Wat de partij nog ongelijker maakt, is dat gij slechts recht hebt

op een stok.

– Ik vind dat heel voldoende, man

– Mag ik u een goeden raad geven? vroeg een ander.

– Zeker! ik luister altijd naar goeden raad.

– Welnu, verlaat aanstonds het dorp……

– Man, uw raad is slecht, doorslecht! Ik slik hem niet! De boer hief de armen op

en liet ze daarna met een smak neervallen, om te beduiden dat hij afzag van alle

verdere pogingen om den stijfkop te overtuigen.

– ’t Is boter aan de galg gesmeerd, bromde hij.

.- Beste man, vroeg Floran hem, kent ge mij?

– Neen, knaap, ik zag u nooit voordezen!

– Welnu, te Helmond, vanwaar ik kom, noemt men mij Floran Janssen. Zoo

gij ooit te Helmond komt, begeef u dan naar het Schipperskwartier en vraag daar

aan den eersten den besten of Floran, de kleinzoon van Moeder Martinus uit het

Ameidesingel, dien naam waardig is. Ge hoeft dus niet langer aan te dringen, beste

menschen! Het ware veel verstandiger mij een handje te helpen.

– Hoe zoo?

– Wel, ik heb immers recht op een stok? Daar ik een vreemdeling ben, weet ik niet

waar ik mij een flinken knuppel kan aanschaffen. Wie uwer kan er mij eenen

bezorgen?

– Ik! Ik! klonken verscheidene stemmen.

Nu mengde de waard zich in ’t gesprek en ried aan in ’t naburig bosch een

esschentak te snijden, omdat dit hout, vooral als ’t nog groen is, niet gemakkelijk

breekt.

– Hij mag echter, volgens de wet, slechts vier voet lang zijn, vervolgde hij. Die

lengte is voldoende en laat alle vlugge bewegingen toe. Neemt men hem nochtans

te dik, dan verliest men dit voordeel weer.

Floran knipoogde eens tegen zijn gezel en vond het dan ook voldoende, dat de stok

niet dikker moest zijn dan zijn pols.

– Niet dikker dan uw pols, knaap? Vraag liever een bakkershout!

– Doet er uwe goesting mede, brave menschen, doch ik zeg u, zoo ik hem te licht

vind, dat ik een bakkershout of een tafelpoot eisch. Nu, wat anders! Wie uwer brengt

mij bij Raffel? Ik wil hem gaan bezoeken, kennis maken met hem, zijne zuster en

zijn grootje, en die brave lieden troosten. Het spijt me zeer dat ik geen arts ben, anders

zou ik beproeven zijne zuster te genezen!

Floran Janssen Droogt De Bruut af

Hierop stond hij recht en haalde een zijner zilverstukken te voorschijn om het

gelag te betalen. De hospes weigerde het aan te nemen en sprak:

– Ik wil geen geld van iemand, die zoo goedsmoeds zijn leven komt wagen om dat

van een onzer dorpsgenooten te redden. Zoo gij als overwinnaar uit het strijdperk

treedt, moogt ge mijn ganschen kelder komen leegdrinken.

– Dat zou mij veel meer tijd vragen dan ik noodig heb om dien Balt te straffen, lachte

Floran

Na die woorden verliet hij met zijn makker de herberg, vergezeld van een viertal

dorpelingen, die hem den weg wezen naar de woning van zijnen beschermeling.

Te midden van het dorpsplein is er eene groote, langwerpige ruimte, afgesloten bij

middel van paalwerk en koorden. Aan eene der zijden verheft zich eene tribuun, met

tapijten behangen en met bloemen, banieren en blazoenen versierd. Het is daar dat

de Heer van Veghel, zijne familie en de genoodigden zullen plaats nemen om

getuigen te zijn van het gerechtelijk tweegevecht.

Naast de tribuun is er eene tent opgeslagen, waar de wapens der kampvechters

door de wapenkeurders zullen onderzocht worden. Al de inwoners van de heerlijkheid,

van de naburige dorpen en vele poorters van Deurne zijn op het plein

bijeengestroomd en verdringen zich rondom het krijt of strijdperk, dat door

speerknechten en boogschutters van den baron bewaakt wordt.

Aan de eene zijde der tent staat Balt met twee zijner makkers, welke hem tot

wapenpeters verstrekken. Boven zijn maliënkolder draagt hij een stalen helm, de

voorzijde zijner beenen beschermd door bil-en scheenstukken. Hij leunt op een langen

houwdegen, terwijl aan zijn gordel eene stevige strijdbijl hangt.

Aan de andere zijde der tent bevinden zich Raffel en zijne twee wapenpeters Jan

en Alphonsius.

De twee groepen vormen een sterk kontrast; hier drie groote, sterkgebouwde

soldeniers, met ruwe, onbeschaamde gezichten; daar drie knapen in hun eenvoudig

plunje, zonder de minste schittering van staal.

Raffel vooral wekt het algemeen medelijden. ’t Is een tengere, bleeke knaap; zijn

hoofd met een grauwen doek omwonden, waarop hier en daar nog bloedvlekken

zichtbaar zijn, getuigt van de barbaarsche wijze, waarop hij door Balt mishandeld

werd. Zijn stap is onvast en hij steunt op den arm van Alphonsius. Floran is kalm zooals

altijd; hij leunt achteloos op eenen stevigen knuppel en kijkt nieuwsgierig, nu naar

de edellieden en damen, die op

de tribuun hebben plaats genomen, dan naar de menigte, welke het strijdperk omringt.

Daar weerklinken de bazuinen. Alles wordt stil, doodstil.

Een wapenheraut treedt vooruit; hij wendt zich tot Balt en zegt:

– Beroeper, blijft gij bij de verklaring, dat gij onschuldig zijt aan de feiten, u door

den beroepene ten laste gelegd?

– Ja!

– Is het met uwe algeheele toestemming, dat de beroepene vervangen wordt door

zijn wapenpeter, hier tegenwoordig.

– Ja, met mijne algeheele toestemming!

Dit zeggend werpt hij een grimmigen blik op Floran, die hem spotachtig in de oogen

kijkt en hem – eene Helmondsche gewoonte – een langen neus zet.

Nu wendt de wapenheraut zich tot Raffel.

– Beroepene, houdt gij uwe beschuldiging tegen den beroeper staande?

– Ja!

– Is het met uwe algeheele toestemming dat uw wapenpeter, hier tegenwoordig,

in uwe plaats en voor eigen verantwoording het tweegevecht aangaat!

– Zeg ja, zoo gij wilt gewroken worden, fluistert Floran hem in ’t oor.

– Ja! spreekt de knaap met bevende stem.

Nu richt de wapenheraut zich tot Floran en vervolgt met nadruk:

– Gij, die u als kampioen voor het goede recht van den beroepene aanstelt, weet

gij welke gevolgen uwe daad voor uzelven kan hebben?

– Och neen, heer, en ze kunnen mij bliksems weinig schelen!

– Verneem ze dan: Zoo gij door den beroepene overwonnen wordt, heeft hij het

recht u te dooden. Zoo hij u het leven laat, wordt u de rechterhand door den

scherprechter afgekapt en uw lichaam daarna aan de galg gehangen. Al uwe have en

goed worden het eigendom van den beroeper.

– Opperbest, waarde heer! Maar zoo ik win?

– Dan wordt dezelfde straf op den beroeper toegepast. Nog hebt gij het recht u

terug te trekken. Beslis!

– Ik wil Balt den snoever straffen en van hem erven!

– Gij hebt het gewild!……Beroeper en beroepene, zweert beiden dat gij noch een steen, noch een kruid, noch eenig ander toovermiddel of iets, dat van

den duivel komt, bij u hebt!

– Ik zweer het, roept Balt.

– Niets in de mouwen, niets in de zakken, lacht Floran

– Zweer, jongeling, zegt de wapenheraut op strengen toon.

– Ik zweer het!

De wapenheraut treedt te midden van het strijdperk, richt zich tot het volk en leest

van eene plakkaart de regels van het gerechtelijk tweegevecht voor; hij drukt er

vooral op, dat het op straffe des doods verboden is, ’t zij door teekens, geluiden of

anderszins rechtstreeks of onrechtstreeks aan den kampstrijd deel te nemen of er

invloed op uit te oefenen.

Vervolgens nadert hij de beide kampioenen en wijst elk zijne plaats, den eenen

vóór de tent, den anderen aan het tegenovergestelde uiteinde van het strijdperk.

Balt trekt zijn lang en blinkend zwaard uit de scheede; Floran stroopt zijne mouwen

op en doet zijn stok eenige malen in zijne hand ronddraaien.

Al de blikken der aanwezigen zijn op hem gericht en menig gebed wordt gepreveld

voor het behoud van den dapperen, vreemden knaap.

– Gaat! roept de wapenheraut met plechtige stem.

Balt loopt met opgeheven degen naar zijn tegenstander.

– Vervloekte melkmuil, uw laatste uur is geslagen!

– Kom maar af, antwoordt Floran spottend, doch denk aan de ranseling op de billen!

De lange degen bliksemt in het zonnelicht, doch raakt slechts den grond. Floran is

vlug ter zijde gesprongen; zijn stok komt echter met zulke kracht onder den rug van

den soldenier terecht, dat deze een kreet van pijn slaakt.

– Een! roept Floran vroolijk. Zoo mijn stok zich goed houdt, krijgt ge er een dozijn…op

hetzelfde plaatsje!

SOO © 2022 Florentius Martinus Alphonsius Lucien