5. Floran Janssen botst met Thijs |

5. Floran Janssen botst met Thijs |

Op dit oogenblik weerklonken er haastige stappen en verscheen er aan den hoek der straat een talrijke groep soldaten met brandende lantaarns.

– Wat gebeurt er hier? vroeg de aanvoerder der wacht.

– Die heerschappen, zei Floran, op de rabauten wijzend, wilden mij mijn geld ontnemen. Om hen die leelijke manieren af te leeren heb ik er wat onder gekegeld. Ik geloof echter, dat ik er te grof ben aangegaan. – Hebt gij dat gedaan, knaap? riep de officier ongeloovig.

– Och ja, zei Floran, en ’t was precies zoo moeilijk niet. Ze waren slechts met zessen.

– Knaap, gij gekscheert!

– God beware mij daarvoor, heer officier!

Hierop pakte Floran een der schelmen beet, die op den grond lag te kermen, en hield hem met gestrekten arm voor ’t gelaat van den officier.

– Zie, deze leeft nog. Geef u de moeite hem even te ondervragen.

– Dat hoef ik waarlijk niet meer te doen, riep de krijgsman verbaasd, nu ik zie, wat ge daar met zooveel gemak doet.

Nochtans ben ik overtuigd, dat de schout mij niet gelooven zal als ik hem morgen vertel, wat ik hier gezien heb. Nog gisteren verhaalde hij mij, dat hij van den geschiedschrijver Froissart gehoord heeft, dat in 1388 een edelman van den graaf van Foix, Ernaulton van Spanje genaamd, een ezel met eene vracht brandhout beladen op zijne schouders nam en alzoo de vier en twintig trappen besteeg, die naar de ridderzaal van het kasteel van Helmond leiden. Na hetgeen ik u heb zien doen, denk ik wel, dat gij het sterk stuk van Ernaulton van Spanje ook zoudt kunnen verrichten! – Ik denk het ook, antwoordde Floran leukweg.

– Wie zijt gij, knaap?

– Men noemt mij ‘Floran Onversaagd’.

– Er is maar één die zicht noemt ‘Onversaagd’, zei de officier, namelijk zijne Hoogheid de hertog van Brabant.

– Neen, heer officier, daar zijn er twee! De eene is hertog van Brabant, de andere is kleinzoon van Moeder Martinus uit het Ameidesingel. En daar de eene de andere niet is, ben ik geen hertog van Brabant en is deze de kleinzoon niet van Moeder Martinus. Dat klopt, he? – Zeg eens, vervolgde hij na eene korte poos, wat gaat ge met die kerels aanvangen?

– Ze worden naar het Steen gebracht.

– Heel wel! Daar aan dien haak hangt er nog een, maar die kan desnoods wel een beetje wachten, tot ge met de anderen gedaan hebt. Hij is waarschijnlijk bezig met schietgebedekens te zeggen. En nu, goeden nacht, heer officier; ik moet weg, want mijn Grootje zal al lang op mij zitten wachten, en wie weet, hoe ongerust zij is!

– Ja, daar is nog al reden voor, lachte de andere. Vaarwel, knaap!

Floran spoedde zich voort. Toen hij een poosje daarna te huis kwam, haalde hij het gewonnen geld uit zijn zak en legde het, zonder een enkel penning achter te houden, in den schoot van zijn Grootje. Hij kreeg van haar een paar klinkende zoenen tot belooning; en toen hij zich korts daarna op zijnen eenvoudigen stroozak uitstrekte, gevoelde hij zich gelukkig en rijk als een koning.

Stellig is het, dat Floran, mits alle dagen wat te werken, geld genoeg kon verdienen om

zijn Grootje in staat te stellen betere kleederen voor hem te koopen dan die, welke

hij dagelijks droeg. Maar, zooals ik reeds gezegd heb, Floran hield te veel van de lieve

vrijheid, en om mooie kleederen bekommerde hij zich evenzeer als om eene droge

noot.

Des zomers droeg hij een versleten hemd en gelapte hozen, die hij bij middel van

eene koord om zijne heupen bevestigd hield. ’s Winters droeg hij daarbij nog eene

muts, een buis en een paar schoenen. Deze laatste waren nog van zijn vader afkomstig

en in ’t geheel niet in de mode, want zij waren van voren bijna rond van vorm, terwijl

die van de rijke poorters en vooral van de adellijke heeren in eenen punt eindigden,

welke bij sommigen zoo lang was, dat hij omhoog moest gehouden worden bij middel

van een fijn kettingsken, waarvan het andere uiteinde aan het been bevestigd werd.

Floran had een hekel aan die gekke mode evenals aan de lange tabbaarden, welke

sommige rijke lieden droegen, en welke hen, op een afstand gezien, op vrouwen

deden gelijken.

– Een man, placht hij te zeggen, moet zoodanig gekleed zijn, dat hij armen en

beenen flink bewegen kan en dat niets hem belet te loopen, te springen en te vechten.

Sterk als hij was, had hij een fellen hekel aan zwakke of laffe menschen.

– Een man moet een anderen man in de oogen durven kijken, was ook een van

zijne gezegden. Heeft hij gelijk, dan moet hij dat staande houden tegen wien het ook

zij; heeft hij ongelijk, dan moet hij dat eerlijk bekennen, zonder er doekskens om te

doen!

CDaar de vrouwen in ’t algemeen zwakke schepsels zijn, stonden zij, behalve zijn

Grootje, niet hoog in zijne achting aangeschreven.

– Trouwen, sprak hij vaak, trouwen zal ik slechts nadat ik eens bang geweest ben!

Nu, daar hij stellig overtuigd was nooit bang te zijn, wilde hij daarmede beduiden,

dat hij nooit zou trouwen.

Floran had een neef, Thijs genaamd, die de eenige zoon was van eene nicht van

Moeder Martinus. Thijs was knecht bij den grafmaker van Sint Andries. Hij was een

opgeschoten, graatmagere knaap van achttien jaar met wit vlashaar, witte

wenkbrauwen en ooghaartjes en daarbij roode oog en, welke waterig pinkten, wanneer

de zon helder scheen. Zijne armen waren zoo lang, dat hij met zijne groote handen

heel gemakkelijk zijne knieën kon omvatten, zonder zich daarvoor te bukken. Hij

werd in de wandeling en vooral door Floran en zijne makkers nooit anders dan Rebbe

geheeten. Rebbe is de naam, dien men toenmaals, en nu nog, op den buiten aan de

konijnen geeft. Eenieder weet dat er spierwitte konijnen met helderroode oogen zijn.

Rebbe en Floran waren geen dikke vrienden. De eerste was laf en geveinsd van

karakter en droeg Floran, wiens flinke gestalte en lichaamssterkte hij benijdde, eenen

bedekten haat toe. Floran, van zijnen kant, had een hekel aan zijn neef, omdat deze nooit

met de kameraden had durven meedoen aan hunne guitenstreken, en vooral omdat

hij eens ondervonden had, dat Rebbe hem bij Moeder Martinus was gaan verraden,

toen hij eene kat had vastgebonden aan den deurklopper van den Schoutet.

Iedereen weet dat er in dien tijd nog geene huisbellen waren. Deze zijn later, veel

later, in zwang gekomen.

De deurklopper was in den beginne eene soort van houten hamertje, dat te midden

der deur of poort op ongeveer een meter van den grond hing.

Floran Janssen | Held van Helmond

Aldra bemoeide de kunstsmid er zich mede en werden er aan de deurkloppers

allerlei en vaak zeer sierlijke vormen gegeven. In de XVde eeuw waren het meestal

beweegbare ijzeren of bronzen ringen, met zwaarder kopstuk, aan twee asjes

opgehangen. Wanneer men den klopper, na hem opgelicht te hebben weder liet vallen,

dan kwam het zware kopstuk terecht op een metalen knop, hetgeen een geluid

verwekte, dat binnenshuis goed gehoord werd. Alsdan kwam de bewoner door een

in de deur aangebracht getralied kijkgat zien wie er aangeklopt had, zonder dat de

bezoeker kon onderscheiden wie hem van achter de deur bespiedde. ’s Avonds vooral

waren destijds die voorzorgen niet overbodig, daar, zooals ik reeds gezegd heb, de

openbare veiligheid veel te wenschen liet.

Floran zou nooit geweten hebben wie de verklikker was, zoo Rebbe zich zelven niet

verraden had, door heimelijk een paar gezellen van zijn neef aan te zetten dezen te

vragen of het waar was, dat Moeder Martinus hem zonder eten naar bed gejaagd had.

De twee bengels deden dit; toen kwam natuurlijk heel de zaak aan ’t licht, en nog

denzelfden dag kreeg de hatelijke Thijs zulke duchtige ranseling, dat hij wel twee

weken lang hinkend naar zijne bezigheid ging.

Van dan af brak Floran alle gemeenschap met zijn neef af en legde al zijne makkers

op hetzelfde te doen. Rebbe was daarom nog meer op Floran gebeten en zon gedurig

op middelen om hem op de eene of de andere manier te benadeelen of belachelijk te

maken. Hoe en in welke omstandigheden dit gebeurde, en welke gevolgen het voor

beiden had, ga ik aanstonds vertellen.

Op zekeren namiddag was Moeder Martinus gaan buurten bij Thijs’moeder, die op

den Kleinen Koraalberg – dat is de naam eener oude straat, – een fruitwinkel hield.

Terwijl de twee vrouwen druk aan ’t praten waren, was Rebbe van zijn werk thuis

gekomen en zat bij het venster naar hun gesnap te luisteren. Er werd gesproken over

allerhande zaken en eindelijk over Floran

– Maar hoe komt het toch, moei Martinus, dat gij Floran niet dwingt een of ander

ambacht te leeren? Het is eene schande dien grooten lummel zoo haveloos den

godganschen dag langs de straat te laten loopen!

– Och, nicht, ik heb hem daarvoor reeds zoo dikwijls onderhanden genomen, maar

aan dien wildzang is geen zalf te strijken!

– Zie mijn Thijs eens hoe netjes hij gekleed gaat!

– Het doet mij waarlijk hartzeer als ik er aan denk, dat meester Asselberg en meester

de Laet beiden mij aangeboden hebben hem voor niet als leerknaap te nemen, met

voedsel en kleedij op den hoop toe.

– En gij hebt geweigerd?

– Ik niet, maar hij!

– Dat is dolzinnigheid!

– Hij wil onder niemands bevelen staan en zegt dat er wel eens een dag zal komen,

waarop hij geld, veel geld zal winnen.

– Dat is blufferij, schimpte Thijs. Zou men niet zeggen, dat hij de zoon is van een

baron of zoo iets!

– Kon ik dien drommelschen jongen maar met het eene of andere bang krijgen,

dan zou het misschien wel gaan.

– Floran kan zooveel schrik hebben als ik en een ander, riep Thijs op smalenden toon,

maar uit fierheid wil hij zich dit niet laten zeggen. Ik heb den heelen Floran al lang in

den neus!

– Ik houd staande, wedervoer de oude vrouw, dat hij niets of niemand vreest! Als

ik hem zeg, dat hij den eenen of anderen avond wel eens eene heks zal ontmoeten,

die hem op den schouder zal kloppen terwijl zij hem den weg vraagt, welnu, dan

begint hij te lachen, en durft zelfs zeggen dat er geene heksen zijn!

– Is ’t mogelijk? Dus gelooft hij niet aan de kwade hand?

– Neen! Hij beweert dat de heksen slechts oude vrouwtjes zijn, die hunne vijf

zinnen niet meer hebben of door honger, gebrek of verdriet zoo leelijk geworden

zijn, dat ze misschien schrik aanjagen.

– Die ongeloovige Thomas, gromde Thijs. De schoutet, die ze doet verbranden,

zal het toch wel beter weten dan hij!

– Zoo denk ik er ook over, meende zijne moeder

– En dan de kaboutermannekens, de waterduivels, zooals de lange Wapper, de

spoken en vampieren, die te middernacht, als de maan schijnt, uit hun graf opstaan

om de menschen het bloed uit te zuigen, daar gelooft hij dus ook niet aan, zeg?

– Dat weet ik niet, jongen, vraag hem dat zelf maar eens.

– Hij zou natuurlijk zeggen dat hij ze niet vreest, maar ik ben van het tegendeel

overtuigd en zoo gij wilt, zullen we er de proef van nemen.

– Moei Martinus, dat is misschien het middel om hem schrik te doen krijgen en hem

zoo wat onder den duim te kunnen houden.

– Hoe zoudt gij dat aan boord leggen, Thijs?

– Dat is mijn geheim. Stemt ge toe?

– Ja, want ik denk ook, dat hij na eens recht bang geweest te zijn, van levenswijze

zal veranderen.

– Heel wel, sprak Thijs. Zeg hem dan straks dat ge vandaag op het kerkhof geweest

zijt……

– Maar ik ben er niet geweest!

– Wat geeft dat… ’t Is eene leugen om beterswille. Ge vertelt dus dat ge er waart met Mie van Jo met haren lêeren neus, wier kindje vandaag

begraven werd, en dat ge denkt, dicht bij het doodenhuisje uw vischmes verloren te

hebben. Gij verzoekt hem het te gaan zoeken.

– Wanneer? Zoodra hij te huis komt?

– Neen, ’t moet donker zijn.

– Om welk uur?

– Als het op de Lambertuskerk tien uur slaat. Ik zal voor de rest wel zorgen, en

durf nu reeds wedden, dat hij bleek van schrik terug komt geloopen!

Floran kwam dien avond tehuis toen de taptoe al lang geslagen had.

Hij was met zijne makkers tot op het grondgebied van Deurne geweest en kwam

met zijne zakken vol fruit terug.

Moeder Martinus hield zich kwansuis met allerlei werk bezig tot het eindelijk tien

uur sloeg

SOO © 2022 Florentius Martinus Alphonsius Lucien